Blog
De laatste dagen in Thailand

Vandaag is het al vrijdag 9 januari wanneer ik begin met het schrijven. Alleen dat al voelt een beetje onwerkelijk.
Zoals je in mijn laatste verslag kon lezen, zijn we op 3 januari aangekomen op Koh Chang (het Olifanteneiland). En vanaf dat moment voelt alles anders.
Ik ben diep ontspannen. Ik ben aangekomen in die stille laag waarin je lichaam zachtjes zegt: het is goed. Het voelt onwerkelijk want ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo relax ben geweest in mijn leven.
Op 5 januari had ik een belangrijk coachingsgesprek. Het ging over hoe ik verder wil in dit nieuwe jaar, maar vooral over alles wat nog onder de oppervlakte leeft. Dingen waar ik me niet altijd bewust van ben, maar die wel richting geven. Dingen die gezien willen worden, begrepen, misschien afgerond en losgelaten. Het was een mooi en verdiepend gesprek, en het opende iets in mij. Een beweging naar een verandering waarover ik later meer zal vertellen.
En zo pakte ik op 6 januari mijn laptop om mijn boekhouding “even” af te ronden. Normaal gesproken levert dat weerstand op, uitstelgedrag, een duidelijke geen zin. Maar nu was er niets van dat alles. Alleen een neutraal gevoel. Alsof mijn systeem zei: prima, doen we dit ook. Dat alleen al voelt bijzonder.
En Ko Chang? We hebben onze dagelijkse ritme gelijk opgepakt en dat geeft meer stabiliteit in onze leven vol van onzekerheden . We leven eenvoudiger, met zo min mogelijk afspraken, minder moeten. En ondertussen genieten we enorm van dit eiland. De 40 dagen Thailand zijn bijna voorbij en het voelt onwerkelijk hoe snel die tijd is gegaan. Het is alsof deze reis ook innerlijk een beproeving was, een laag dieper, waar ik ook ergens op hoopte.
Voor vertrek maakte ik me namelijk druk over een aantal dingen. Ten eerste
de tropische
hitte.
Zoals ik eerder schreef ben ik een Pitta/Kapha-type, en ik heb ook soms last van opvliegers. Wie dat kent, weet hoe intens zo’n golf van warmte kan zijn. Thailand is heet en vochtig, Pitta en Kapha tegelijk, en ik vroeg me serieus af hoe mijn lichaam dat zou verdragen.
De eerste stap uit het vliegtuig voelde alsof ik een sauna binnenstapte zonder uitgang. En ja hoor, gelijk vanaf de eerste dag begon ik al ’s ochtends te zweten... overal. Mijn gezicht continu rood. Lopen, staan, zitten, bewegen, alles heet en zwaar. Soms voelde het echt als een marteling. Vooral de eerste twee weken waren erg pittig..
Pas toen we op Koh Phangan aankwamen, waar de wind waaide en het af en toe regende, voelde ik verlichting. De wind bracht verkoeling en lichtheid, en mijn lichaam begon langzaam te wennen. Opvallend genoeg had ik nauwelijks last van opvliegers. Ik had het immers al voortdurend warm.
De tweede punt waar ik me vooraf druk om maakte, was het eten.
Of ik wel gezond genoeg en regelmatig zou kunnen eten om de Vata niet te veel uit balans brengen (die al veel aanwezig is als je aan het reizen bent).. Of mijn lichaam zou krijgen wat het nodig had, zo ver van huis, zonder eigen eten, zonder vaste structuur.
Maar ook die zorg liet ik vrij snel los. In deze hitte merkte ik dat mijn Agni minder sterk brandde. Dat is logisch wanneer er al zoveel hitte in de omgeving aanwezig is. Mijn lichaam vroeg om minder, lichter, eenvoudiger. En vaak zelfs om niets.
We probeerden zo min mogelijk rotzooi te eten en als we geen honger hadden, sloegen we een maaltijd gewoon over. Dat voelde niet als verwaarlozen, maar als luisteren. Onze enige vaste afspraak was dat we elke dag zorgden voor een goed voedende lunch. De rest mocht ontstaan. Soms fruit, soms iets kleins, soms niets.
Mijn lichaam leek daar precies van te krijgen wat het nodig had en o wee als ik iets had gegeten wat niet goed voor mijn Pitta was .....het gaf gelijk duidelijk aan dat dit kan niet nog een keer.
De overtollige kilo’s uit Europa zijn aan het verdwijnen.
Dat voelt toch als een cadeautje.
Omdat fruit verkoelend is, heb ik hier veel fruit gegeten. Geen straf, want het fruit is hier ongelooflijk smaakvol. Mijn lichaam was me er zichtbaar dankbaar voor.
Dat we op Koh Phangan zelf konden koken, maakte een groot verschil.
Wat me daar echter volledig uit balans bracht, was de wifi-router die recht boven ons bed aan de muur hing. Zoveel klachten heb ik nog nooit ervaren. En net zo snel als ze kwamen, verdwenen ze weer toen we op Koh Tao midden in de natuur sliepen. Het was dus heel duidelijk waardoor het kwam.
Nu dus Koh Chang. Ook hier konden we gelukkig andere keukens vinden dan alleen Thais. We waren het er samen over eens dat we genoeg Thais hebben gegeten en echt geen trek er meer in hadden. Op de tweede dag vonden we zuurdesembrood, boter en brie. De vreugde was groot!. Daarna volgden Mexicaans eten, en een dag later Zweeds gebakken makreel met dillesaus en aardappelpuree. Onze lichamen en vooral smaakpapillen waren dankbaar.
We hebben ook het luxe resortleven ontdekt. Wat begon op Koh Tao, hebben we hier voortgezet.. Ik durf ons inmiddels gerust ervaren professionals te noemen in het onopvallend meegenieten van luxe zwembaden en stranden van resorts waar de prijzen toch veel hoger liggen dan wat onze standaard is.. Soms zelfs met schone handdoeken, soms met een praatje met andere gasten. Dat ervaring kanvan ons niemand wegnemen :-)
Het eiland nodigt uit om te verkennen. Langs de kust rijden, stranden ontdekken, natuurgebieden in. Elk strand is anders, maar allemaal even prachtig. De wegen zijn soms uitdagend, maar ik heb een geweldige chauffeur die ik volledig vertrouw. Daardoor kan ik zorgeloos achterop zitten en alles in me opnemen.
Wat me hier ook opvalt, is het ontbreken van muggen. Op eerdere plekken werd ik letterlijk lekgeprikt. Het leek alsof mijn hele lichaam één grote jeukende herinnering was. En hier… niets. Wat een opluchting.
Omdat Koh Chang noordelijker ligt, is het hier soms zelfs een beetje fris. De avonden zijn aangenaam koel.
Overal op het eiland zie ik prachtig uitgesneden Naga’s, mythische slangwezens uit het boeddhisme. Ze bewaken heilige plekken en symboliseren de overgang van de zichtbare naar de spirituele wereld. Verbonden met water, regen en levensenergie. Zo bijzonder om zo veel prachtige uitgesneden draken en olifanten te zien.
En dan zijn er de olifanten.
Je zou denken dat een eiland niet zomaar Olifanteneiland heet. Koh Chang dankt zijn naam aan de vorm van het eiland, die lijkt op een liggende olifant. In Thailand staan olifanten symbool voor kracht, wijsheid en bescherming. Ooit waren ze heilig. Maar hier schuurt het. Olifanten worden nog steeds ingezet voor toerisme. Ritjes, shows, poseren met bezoekers. Wat er achter hun rustige blik schuilgaat, blijft vaak onzichtbaar. Veel van deze dieren zijn getraumatiseerd, getraind met dwang en leven ver van hun natuurlijke habitat.
Juist hier, op een eiland dat hun naam draagt, voelt dat contrast scherp. Dat dit anno 2026 nog zo is, blijft moeilijk te bevatten.
En dan zijn er de straathonden.
Dat was nummer drie
waar ik me vooraf al druk over maakte. Hoe ga ik dit dragen?
Het antwoord blijkt simpel en pijnlijk: ik draag het niet.
Elke keer als ik een hond zie met een slechte vacht, kale plekken, een manke poot of gewoon roerloos langs de weg, gebeurt er iets in mij. Op het eerste gezicht lijkt er soms niets aan de hand, maar als je goed kijkt, zie je het.
Het voelt elke keer alsof er een mes door mijn hart gaat. Ik barst regelmatig in tranen uit.
En het zijn niet alleen de honden. Ik zie armoede, mensen die leven in half ingestorte hutten, onder een schuin afdakje. Thailand is voor veel toeristen een symbool van vrijheid, goedkoop en luxe, maar het heeft dus ook heel duidelijk een schaduwkant, overal waar je kijkt.
Het maakt me diep bewust van hoe gezegend ik ben dat ik in Europa ben geboren, met andere mogelijkheden, andere zekerheden.
Zaterdag rijden we vroeg richting Bangkok. En als alles goed gaat, liggen we rond één uur ’s nachts in een bed in een hotel in Kochi, India.
Volgens onze organisator staat ons daar iets bijzonders te wachten.
Ik ben heel benieuwd.
Tot de volgende keer 🤍













